Het Grote Gigabit Bedrog
Je kent de reclames wel. Flitsende beelden van raceauto's, vliegende astronauten en gamers met paarse neonverlichting in hun nek. De boodschap van de providers is simpel: als je film op zolder hapert, heb je meer gigabits nodig. Vier gigabit. Acht gigabit. Binnenkort vast zestien gigabit. Want stel je voor dat je die nieuwe Call of Duty van honderd gigabyte niet in negentig seconden binnenhaalt.
We trappen er massaal in. Want in onze simpele consumentenlogica is acht nou eenmaal meer dan één. Dus zal het wel beter zijn.
Het is een van de meest schaamteloze staaltjes marketing van de afgelopen tien jaar.
Om te beginnen snappen de meeste mensen het verschil niet tussen capaciteit en echte snelheid. Wat de provider je verkoopt onder de noemer 'snelheid' is helemaal geen snelheid. Het is simpelweg de breedte van de buis. Of jouw internet thuis 'snel aanvoelt' als je op een link klikt, een Teams-vergadering opent of een game speelt, heeft nul komma nul te maken met gigabits. Dat wordt voor honderd procent bepaald door de reactietijd: de latency, oftewel de ping. Een verbinding van honderd megabit met een reactietijd van vier milliseconden voelt tien keer sneller en responsiever aan dan een acht-gigabitlijn waar data met vertraging doorheen hobbelt. Maar ja: reactietijd laat zich nou eenmaal lastig in een schreeuwerig getal op een bushokje plakken. Dus verkopen ze je een bredere rioolbuis, terwijl het water er precies even traag doorheen stroomt.
Kijk eens nuchter naar wat er werkelijk door die buis heengaat als je met het hele gezin tegelijkertijd zit te internetten. Twee 4K-films op Netflix trekken samen veertig megabit. Een puber die online een schietspel speelt gebruikt nog geen vijf megabit. Twee ouders die tegelijkertijd in een videocall van Teams zitten verbruiken acht megabit. Als iedereen tegelijk maximaal gas geeft, tikt je meterkast nog niet eens de zestig megabit aan. Op een standaard verbinding van één gigabit draai je dan op zes procent van je capaciteit. Zes procent. De rest van de snelweg ligt er de hele dag verlaten bij.
Maar hoe zit het dan met die downloads van honderd gigabyte?
Daar begint het sprookje pas echt te rammelen. Om acht gigabit per seconde binnen te harken, moet de partij aan de andere kant die kraan wel voor jou willen opendraaien. En dat doet niemand. Servers van Steam, Sony PlayStation Network of Microsoft cappen inkomende en uitgaande verbindingen per gebruiker genadeloos af. Die gaan echt geen halve servercapaciteit aan één zolderkamer toewijzen. Je downloadt met een gigabit of twee, en dan houdt het op. En zelfs al zou een server die data met acht gigabit over de schutting gooien, dan fakkelt de processor van je computer af op het uitpakken van de bestanden, of loopt de interne schijf vast in een hittegolf.
En dan de grap die de provider je er niet bij vertelt: om die acht gigabit überhaupt op één apparaat in je huis te krijgen, moet je eerst een klein fortuin stukslaan op nieuwe apparatuur.
De standaard netwerkpoort op je computer, je laptop, je PlayStation of je smart-tv stopt namelijk precies bij één gigabit. Steek je daar een kabel in met acht gigabit internet, dan knijpt dat poortje het signaal meteen met zeven gigabit af. Alsof je een brandslang probeert leeg te laten lopen in een rietje. Wil je die acht gigabit écht op je pc zien verschijnen? Dan moet je nieuwe tien-gigabit netwerkkaarten kopen, speciale switches ophangen, dikkere kabels door je muren trekken en een peperdure router neerzetten. Zonder die investering van honderden euro's blijft die hele acht gigabit al steken vóórdat het ook maar één scherm in je huis heeft bereikt.
En je wifi dan? Vergeet het maar. Zelfs als je pal naast de nieuwste router gaat staan, blaast het radiosignaal met een beetje geluk zeshonderd tot negenhonderd megabit naar je telefoon. Die overige zeven gigabit verdampt letterlijk in de lucht van je woonkamer.
Waarom slaat die meter op Speedtest.net dan wél juichend uit naar bijna acht gigabit als je op die grote knop drukt?
Omdat dat de ultieme fopspeen is. Providers zetten een eigen testserver direct in de wijkcentrale of in hun eigen kernnetwerk, op één spreekwoordelijke meter afstand van jouw huis. Als jij op 'Test' klikt, stuur je geen data over het echte internet naar Amerika of Duitsland. Je blaast een lege bulk data heen en weer over een afgesloten privébaantje tussen jouw meterkast en de stoep voor je deur. Het is de digitale variant van een auto op een rollenbank zetten met de handrem erop: de teller schiet naar tweehonderd kilometer per uur, maar je bent geen millimeter van je plek gekomen. Zodra je een echte website opent, sta je gewoon weer in dezelfde file als de rest van Nederland.
En het wordt nog bonter. Want die acht gigabit die de provider jou belooft, hebben ze niet eens voor je gereserveerd.
Een echte, gegarandeerde tien-gigabitlijn in een datacenter kost al snel achthonderd tot vijftienhonderd euro per maand. Waarom kan een provider jou dan acht gigabit verkopen voor zes tientjes? Omdat het pure blufpoker is. De techniek in de straat deelt één centrale kabel met een capaciteit van tien gigabit over dertig tot zestig huizen tegelijk. Providers durven die acht gigabit alleen te verkopen omdat ze statistisch zeker weten dat bijna iedereen op de bank zit met een Netflix-stroompje van twintig megabit. Als drie buren tegelijkertijd écht acht gigabit zouden opeisen, klapt de hele wijkcentrale acuut uit zijn voegen. Ze verkopen lucht die er fysiek niet eens is.
En de coaxkabel dan? Die doet aan de voorkant precies hetzelfde trucje. Ziggo schreeuwt van de daken dat ze een gigabit download leveren, maar 'vergeet' erbij te vertellen dat de upload al jaren op een armzalige vijftig of honderd megabit blijft steken. In een tijd waarin we hele fotoarchieven naar de cloud synchroniseren, camera's continu beelden streamen en we massaal thuiswerken, is juist die asymmetrie de bottleneck. Trek je die vijftig megabit upload per ongeluk vol, dan kunnen de bevestigingspakketjes voor je download er niet meer doorheen en dondert je hele gigabit-verbinding als een kaartenhuis in elkaar.
Waarom stelt niemand dit aan de kaak?
Omdat iedereen meevreet uit dezelfde ruif. De toezichthouder kijkt alleen naar 'marktwerking' en 'breedbanddekking' in spreadsheets. De vergelijkingssites krijgen een vette commissie per verkocht abonnement en zetten de duurste pakketten met liefde bovenaan. De tech-journalistiek plakt persberichten van KPN en Odido klakkeloos door als 'groot innovatienieuws', bang om advertenties en affiliate-inkomsten te verliezen. En voor de providers zelf is het pure winst. De basispakketten worden kunstmatig duur gehouden rond de vijftig euro per maand, puur om de overstap naar een onzinnig megasnel pakket van zes of zeven tientjes aantrekkelijk te laten lijken. Die glasvezel ligt er immers al. Of ze die poort in de centrale op één of acht gigabit openzetten kost ze operationeel geen cent extra. Maar ze mogen jou wel elke maand twee tientjes extra van je rekening afschrijven voor een leeg getalletje.
Als je internet thuis hapert, ligt dat nooit aan de snelheid van je abonnement. Het ligt aan brakke wifidekking, dikke betonnen muren of een goedkoop plastic modem dat de provider voor een duppie in elkaar heeft laten schroeven.
Laat die acht gigabit lekker in de etalage liggen. Neem een symmetrische glasvezellijn van vijfhonderd megabit, geef dat bespaarde geld uit aan twee fatsoenlijke bekabelde access points in huis, en lach om de marketingjongens die je een raket proberen te verkopen voor een ritje naar de bakker.